Vierdagenweek en halftijds werken in de openbare sector

Een wet van 19 juli 2012 geeft het personeel van het federaal administratief openbaar ambt (opnieuw) de kans om te kiezen voor een vierdagenweek of een halftijdse baan. De regeling kan uitgebreid worden naar andere besturen en diensten.

Bijzondere regeling

De 4/5 en de halftijdse regeling is niet nieuw. Maar er moest een alternatief komen omdat het personeel van de overheid sinds 1 januari 2012 niet langer kan kiezen voor de vrijwillige vierdaagse werkweek en de halftijdse vervroegde uittreding. De wet van 10 april 1995 die de herverdeling van de arbeid in de openbare sector mogelijk maakt, is immers niet langer van kracht.

Bovendien ligt de nadruk niet langer op arbeidsherverdeling. Nu staat een betere combinatie tussen werk en privéleven centraal. En het is ook de bedoeling dat de verschillende verlofsystemen in de publieke en de private sector op elkaar afgestemd worden.

Openbare sector

De twee nieuwe ‘opvolgregelingen' gelden automatisch voor de federale overheidsdiensten. Maar op verzoek is een uitbreiding mogelijk. De Koning krijgt namelijk de bevoegdheid om het toepassinggebied te verruimen tot andere besturen en diensten die onder het gezag of het toezicht van de federale overheid vallen.

Wanneer bijvoorbeeld een provincie of een gemeente voor de eigen personeelsleden gebruik wil maken van de bijzondere sociale zekerheidsbepalingen binnen deze regelingen, dan kunnen ze daartoe een aanvraag indienen.

Het toepassinggebied van de nieuwe wet kan dus bij KB uitgebreid worden tot:

andere besturen en diensten van de federale staat;

het personeel van de hoven en rechtbanken;

de politiediensten.

De Koning bepaalt ook hoe de bijzondere bepalingen uit de sociale zekerheid worden toegepast op het personeel van de ‘andere administratieve overheden', wanneer deze overheden beslissen om de bijzondere arbeidsregelingen toe te passen op hun personeel.

De wetgever omschrijft de ‘andere administratieve overheden' als:

de overheidsdiensten van de gemeenschappen en de gewesten, en de gemeenschapscommissies en de publiekrechterlijke rechtspersonen die ervan afhangen;

de gemeenten en de provincies, met inbegrip van de gemeentebedrijven, de autonome gemeentebedrijven, de provinciebedrijven en de autonome provinciebedrijven, de ocmw’s, de openbare inrichtingen en de publiekrechtelijke verenigingen die afhangen van een provincie of een gemeente. De overheden die onder de CAO-wet vallen, horen daar niet bij.

Opvolgregelingen

Net als bij de bestaande ‘vrijwillige vierdagenweek' wordt de nieuwe regeling voor een vierdagenweek ingericht als een 4/5-regeling waarbij een personeelslid 4 dagen werkt en 1 dag vrij is. Halftijds werken is te vergelijken met de ‘halftijdse vervroegde uittreding' uit de wet van 10 april 1995.

Alle vastbenoemde én bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelsleden die voltijds aan de slag zijn en die jonger dan 55 jaar behouden het recht op zo'n 4/5-regeling. Maar dit verlofrecht wordt voortaan wel beperkt tot 60 maanden voor de hele beroepsloopbaan.

Vastbenoemde personeelsleden hebben extra mogelijkheden. Zij kunnen vanaf 55 jaar onbeperkt kiezen voor een 4/5 of een halftijdse regeling tot op de dag dat ze, al dan niet vervroegd, met pensioen gaan. Voor bepaalde vastbenoemde personeelsleden wordt die leeftijdsgrens zelfs verlaagd tot 50 jaar.

Let op! Dit bijkomend recht vanaf 50 of 55 jaar wordt niet toegekend aan het personeelsleden met een arbeidsovereenkomst. Maar ze kunnen kiezen voor een alternatieve regeling binnen de deeltijdse loopbaanonderbreking.

Randvoorwaarden

1/ 50 jaar. De verlaging van de minimumleeftijd van 55 naar 50 jaar is enkel mogelijk op voorwaarde dat het personeelslid op de begindatum van de bijzondere regeling:

minstens 28 jaar anciënniteit kan bewijzen; of

een ‘zwaar beroep’ had gedurende minstens 5 jaar in de voorafgaande 10 jaar, of minstens 7 jaar in de voorafgaande 15 jaar.

Een ‘zwaar beroep' betekent werken in wisselende ploegen, in onderbroken diensten of met prestaties tussen 20 uur en 6 uur. Gaat het om een halftijdse vermindering, dan moet het zwaar beroep bovendien voorkomen op de lijst van de knelpuntberoepen (KB van 7 mei 1999). Het begrip ‘zwaar beroep' kan later aangepast worden.

Halftijds werken kan enkel na het indienen van een aanvraag bij de openbare dienst waaronder het personeelslid ressorteert. De bepalingen voor het aanvragen van het pensioen blijven gelden.

2/ Beëindiging. De bijzondere arbeidsregeling kan beëindigd worden met een opzegging van 3 maanden, tenzij de overheid een kortere termijn aanvaardt. Het personeelslid kan dus vroegtijdig uit het systeem stappen. Een nieuwe aanvraag is dan niet meer mogelijk binnen het stelsel van halftijds werken.

3/ Loon. Het personeelslid krijgt tijdens de 4/5-regeling 80% van zijn wedde én een premie van 70,14 euro (te indexeren) per maand. De premie wordt pro rata verminderd wanneer 80% van de wedde niet volledig wordt betaald.

Tijdens de halftijdse regeling heeft men recht op de helft van zijn wedde én een premie van 295,99 euro (te indexeren) per maand. De premie wordt pro rata verminderd wanneer de helft van de wedde niet volledig wordt betaald. Er wordt geen rekening gehouden met de premie voor de berekening van de SZ-bijdragen. En het personeelslid kan met een aangetekende brief afzien van de premie indien de inning ervan de uitbetaling van een pensioen uitsluit.

4/ Gelijkstelling. Voor de vastbenoemde personeelsleden wordt de periode van afwezigheid als verlof beschouwd en met dienstactiviteit (of een analoge stand) gelijkgesteld. Voor personeelsleden met een arbeidsovereenkomst wordt de overeenkomst tijdens de afwezigheid geschorst.

De opbouw van de pensioenrechten, die voor de leeftijd van 55 jaar wordt beperkt tot 60 maanden, en de impact van de verlofstelsels op het loopbaankrediet zullen aan bod komen bij de verdere uitwerking van de globale pensioenhervorming.

5/ Vervanging. Voor de contractuelen die in dienst worden genomen ter vervanging van personeelsleden die gebruik maken van de vierdagenweek geldt een vrijstelling van SZ-bijdragen. Maar de Koning kan een einde maken aan deze regeling voor zover het gaat om een vrijstelling van de betaling van de werkgeversbijdragen.

De ‘werkgevende overheden' kunnen dus rekenen op bepaalde vrijstellingen van sociale bijdragen tot ze afgeschaft worden bij KB. De vervanging door een personeelslid met een arbeidsovereenkomst is niet verplicht.

6/ Saldo. De opgenomen periodes binnen de bestaande regeling worden van het eindsaldo afgetrokken vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. Vanaf 1 september 2012 wordt de maximumduur voor de vrijwillige vierdagenweek vastgesteld op 60 maanden. De periodes vóór deze datum worden niet aangerekend op deze maximumduur!

In werking

De wet van 19 juli 2012 treedt globaal genomen in werking op 1 september 2012. Maar de meeste bepalingen treden pas in werking op een bij KB vastgelegde datum. Hoe alles precies in z'n werk zal gaan, wordt later ook uitgewerkt bij KB.

Bron: Wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, BS 6 augustus 2012

Zie ook:
Wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, BS 20 april 1995 (Wet op de Arbeidsherverdeling in de Openbare Sector)

afdrukken